

![]() |
![]() |
![]() |
Inleiding
Het komt regelmatig voor, dat in een nest Groenendaelers één of meerdere pups
niet of niet geheel zwart zijn. Deze pups kunnen bijvoorbeeld een witte
borstvlek, wit aan de tenen, rosgevlamd en zelfs grijs van kleur zijn. Ook een
lichtgekleurd brilletje rond de ogen en grijs aan de broek komt soms voor. Dat
al deze pups toch volwaardige Belgische Herdershonden zijn moge blijken uit
onderstaande uiteenzetting.
Chromosomen
In de celkernen van lichaamscellen bevinden zich langere en kortere draden, de
chromosomen. Chromosomen bestaan uit een stof met de chemische naam
desoxyribose nucleic acid, afgekort tot DNA. De chemische opbouw van een
chromosoom bestaat uit twee gespiraliseerde ketens van suiker en fosfor, met
daartussen dwarsverbindingen van purinebasen. Deze purinebasen of
stikstofbasen komen alleen voor in de combinaties adenine-thymine en
guanine-cytosine. Met deze combinaties kunnen codes samengesteld worden, doordat in groepjes van
drie alle mogelijke volgordes achter elkaar kunnen voorkomen.
Ieder chromosoom komt
paarsgewijze voor. De hond heeft in elke celkern 78 chromosomen, het diploïde
aantal. Het gehalveerde aantal (39), in rijpe zaad- of eicellen, noemt men haploïd. De hond heeft dus 39 paar
chromosomen.
De lange draden van de chromosomen zijn door tussenschotjes is
verdeeld in hokjes. Elk hokje van een chromosoom noemt men een locus. Het
meervoud van locus is loci. Elk locus bevat een gen. Een gen is een erfelijke
factor, die voorwaarde is tot en verantwoordelijk voor de ontwikkeling van een
welomschreven stuk verschijningsvorm. Zo wordt ook de vachtkleur door erfelijke
eigenschappen bepaald.
Begrippen
Wanneer de overeenkomstige loci op elk der 2 bij elkaar behorende chromosomen
bezet worden door dezelfde genen spreekt men van homozygoot. Zijn de
genen verschillend, spreekt men van heterozygoot. In geval van
heterozygotie kan het ene gen het andere overheersen. Het overheersende gen
noemt men dominant, het ondergeschikte recessief. Hebben beide
genen een meer of minder gelijke invloed, dan spreekt men van intermediaire
vererving.
Een kryptomeer gen is een gen, waarin een bepaalde eigenschap onzichtbaar
aanwezig is. Die eigenschap blijft verborgen door de afwezigheid van andere
dominante factoren.
Epistasie is overheersing van het ene gen over een ander gen, dat zich op
een ander chromosoom kan bevinden. Het onderdrukte gen noemt men het hypostatische
gen.
Polymerie is het verschijnsel, waarbij één eigenschap wordt bepaald
door meer dan één paar genen, waarbij elk gen op zich een even grote invloed
bezit.
Polygene vererving is vererving van kwantitatieve eigenschappen, die
beïnvloed worden door meerdere genen.
Genotypisch is het uiterlijk volgens het genenpatroon. Fenotypisch
is het zichtbare uiterlijk. Het fenotype is dus het genotype plus de invloed van
het milieu.
Gameten zijn voortplantingscellen, dus zaadcellen of eicellen. Een zygoot
of kiemcel is een bevruchte eicel.
Een allel is een ander woord voor genenpaar.
Een mutatie is een sprongsgewijze, blijvende verandering in het genen-
en/of chromosomenpatroon. Een somatische mutatie treedt op in de
lichaamscellen.
Een letaal gen is een gen na een mutatie, dat niet levensvatbaar is.
Pigmenten
Alle kleuren die we in de vacht van honden aantreffen komen tot stand onder
invloed van twee kleurstoffen of pigmenten.
1. Eumelanine. Afhankelijk van de hoeveelheid van dit pigment in de haren
zien we dit als zwart of bruin (leverkleur).
2. Phaeomelanine. Afhankelijk van de hoeveelheid van dit piment in de haren
zien we dit als rood of geel.
Beide pigmenten kunnen door de aanwezigheid van bepaalde genen in verdunde
vorm in de haren worden afgezet, waardoor de kleur zwakker wordt.
Multiple allelen
Ieder locus wordt door een gen bezet. Op twee overeenkomstige chromosomen
kunnen de loci dus slechts bezet worden door twee gelijke of twee verschillende
genen, in de regel het dominante en het recessieve gen. Bij de langharige
Belgische Herdershonden zijn echter meerdere genen in omloop, die hetzelfde locus
kunnen bezetten. Men spreekt dan van multiple allelen, waarvan op bepaalde loci
zelfs een hele reeks kan worden gevonden. De voor de vachtkleur
verantwoordelijke genen zijn weergegeven in onderstaande tabel. Hierin zijn de
bij langharige Belgische Herdershonden voorkomende genen geel gemarkeerd.
De belangrijkste loci voor de Belgische Herdershonden zijn echter A, C en
K.
Loci |
A |
B |
C |
D |
E |
G |
K |
M |
P |
S |
T |
Allelen |
aw |
B |
C |
D |
Em |
G |
K |
M |
P |
S |
T |
ay |
b |
cch |
d |
E |
g |
kbr |
m |
p |
si |
t |
|
at |
ce |
ebr |
k |
sp |
|||||||
|
|
as |
ca |
e |
|
sw |
||||||
|
|
asa |
|
A-locus
De reeks van multiple allelen op het A-locus noemt men de agouti-reeks. De
genen beïnvloeden de hoeveelheid en de plaats van donker pigment (zwart en
leverkleur) en van licht pigment (rood of geel), zowel in de totale vacht als in
de afzonderlijke haren. De genen worden in volgorde van dominantie vermeld.
aw
met de w van wild, is verantwoordelijk voor het agouti of de
wildkleur, zoals bijvoorbeeld bij de Elandhond.
ay
met
de y van yellow, onderdrukt delen van donker pigment, waardoor het
fauve met charbonné (rosgevlamde met zwarte haarpunten) van de Tervuerense
ontstaat. Het geeft bij onderdrukking van alle pigment een helder sable
(zandkleur) of tan.
at
met de t van tan, veroorzaakt het tweekleurige tanpatroon, het
black-and-tan, zoals bij de Dobermann en de Rottweiler, het liver-and-tan en het
blue-and-tan.
as
met de s van self, staat verspreiding toe van donker pigment over het gehele
lichaam, zoals bijvoorbeeld bij de Groenendaeler.
asa
met sa van saddle, is verantwoordelijk voor het zadelpatroon van
bijvoorbeeld de Airdale Terriër en de Duitse Herdershond.
B-locus
De genen van het B-locus bepalen de basiskleur, herkenbaar aan
de neuskleur.
B met de B van black zorgt voor zwart met
een zwarte neus.
b zorgt voor het ontstaan van de leverkleur met een
bruine neus.
C-locus
Dit locus met de C van color bevat de verantwoordelijk genen
voor de mate van tot uiting komen van de vachtkleur.
C zorgt voor een complete pigmentatie van de hond.
cch
met
ch van chinchilla, verbleekt de kleur, maar tast het roodgele
pigment sterker aan dan het zwarte. Zo zal de Groenendaeler met genotype
asas
BB cchcch
nagenoeg zwart zijn, maar
de vachtkleur van de Tervuerense met ayay
BB
cchcch
wordt door de aanwezigheid
van het chinchilla-gen verbleekt tot een zandkleur (sable).
ce
met de e van extreme dilution is verantwoordelijk voor een extreem
bleke pigmentering, zowel bij de B- als bij de b-types. Tevens kan er een
reductie van de pigmentering van het oog ontstaan, waardoor dit een roodachtig
uiterlijk kan krijgen.
ca zorgt voor totaal
albinisme, dus wit met een roze neus.
D-locus
De genen van het D-locus zorgen voor een verdunning (dilution)
van de verschillende vachtkleuren.
D zorgt voor een intensieve pigmentering. De
meeste honden hebben dit gen.
d verdunt de vachtkleur. Zo wordt zwart
pigment tot blauw verdund, bruin pigment tot zilver-reekleurig en geel pigment
tot blauw-reekleurig. De blauwe Duitse Dog is hier een voorbeeld van. Bij de
Weimaraner komt het gen homozygoot voor.
E-locus
De genen op het E-locus vormen samen de extension-reeks en
geven eveneens een soort verdunning.
Em
met de m van masker is verantwoordelijk voor het zwarte masker,
meestal in combinatie met ay,
zoals bij de Tervuerense en de Mechelse Herdershond. Dit masker bestaat uit
zwarte bovenlippen, onderkaak, wenkbrauwen en oogranden en zwarte haren aan de
oorbasis. Let wel: Wanneer de hond op het B-locus de recessieve genen bb
homozygoot heeft wordt dit zwarte masker leverkleurig.
E staat evenredige verdeling toe van donker
pigment over de gehele vacht en is daarmee vergelijkbaar met
as
en C.
ebr
met br van brindle, het gestroomde patroon, zoals bij de Hollandse
Herdershond. Dit gen is wel volledig dominant over e, maar onvolkomen recessief
ten opzichte van E. Honden met genotype Eebr
kunnen dus toch het brindle-patroon tonen.
e verhindert de vorming van donker pigment,
waardoor de kleur helder rood of geel wordt, zoals bij de Ierse Setter en de
oranjekleurige Dwergkeeshond.
G-locus
De genen van dit locus met de G van graying hebben slechts
invloed op het eumelanine.
G zorgt voor een verbleking van de kleur naarmate de
hond ouder wordt. De hond wordt met een donkere vacht geboren, die in de loop
der tijd lichter van kleur wordt, zoals bij de Kerry Blue Terriër en de Old
English Sheepdog. Het gen G is niet volledig dominant over g. De honden met
genotype GG zullen lichter van kleur worden dan honden met genotype Gg.
g zorgt voor een intensieve pigmentering.
De meeste honden bezitten het gen g.
M-locus
De twee genen op dit locus met de M van merle gedragen zich
intermediair, zodat men onderstaande genotypen kan onderscheiden:
MM is verantwoordelijk voor een witte vachtkleur. Het
M-gen is in deze homozygote vorm een subletale factor, waaraan de meeste honden
vroegtijdig overlijden. De honden hebben vaak een slecht ontwikkeld lichaam,
zijn blind, doof, soms misvormd en meestal steriel.
Mm laat grijswitte vlekken in de vacht verschijnen,
zoals blue-merle (vlekken op een zwarte ondergrond) bij de Schotse Herdershond
en de Shetland Sheepdog, het tijgerpatroon bij de Dashond en sable-merle
(vlekken op een sable ondergrond).
mm laat de normale, door andere genen bepaalde
vachtkleur zien.
K-locus
De genen op dit locus zijn vooral van belang bij de Groenendaeler, daar bij
aanwezigheid van het dominante K-gen de genen van het A-locus worden onderdrukt.
K staat donker pigment (bruin of zwart) toe
zich te uiten.
kbr
staat het brindle-patroon of gestroomd toe, zoals bij Hollandse Herdershonden.
k maakt de uiting van kleurpatronen
volgens het A-locus mogelijk.
Het dominante zwart van de Groenendaeler ligt dan ook op het K-locus. Iedere
niet recessief zwarte Groenendaeler heeft dan ook de genen KK of Kk. De andere
variëteien hebben alleen k-genen, dus kk op dit locus.
P-locus
De P van dit locus staat voor pink-eyed dilution.
P staat een normale kleurontwikkeling toe.
p is een zeldzaam gen, dat slechts bij de
Pekingees is aangetoond. Het heeft invloed op eumelanine. In homozygote vorm
worden zwarte haren verkleurd tot zilverachtig blauwgrijs, ook wel lilac genoemd
en krijgt de iris van de ogen een rose kleur. Leverkleur wordt verdund tot
lichtgeel reekleurig.
S-locus
De allelen van het locus met de S van spotting
hebben invloed op de verdeling en de hoeveelheid van ongepigmenteerde, dus witte
plekken in de vacht.
S met de S van self zorgt voor geen
of zeer weinig wit op borst en/of aan de tenen. De Belgische Herdershond is hier
een goed voorbeeld van.
si
met de i van Irish spotting oefent invloed uit op witte gedeelten
op de neus, de wangen, het voorhoofd, de nek, de keel, de staartpunt, de borst,
de buik en de voeten. Deze witverdeling komt onder andere voor bij de
Sennenhonden, de Schotse Herdershond, de Basenji en de Boxer. Ook bij de
Belgische Herdershond komt dit gen veelvuldig voor, hoewel hierbij de
aftekeningen op het hoofd onderdrukt worden, daar Em epistatisch is
over si.
sp
met de p van piebald spotting is de bontfactor en geeft in zeer
variërende hoeveelheden wit, van bijna geen wit tot bijna helemaal wit. Als
voorbeeld dienen onder andere de Drentse Patrijshond, het Kooikerhondje, de
Schotse Herdershond, de Beagle en de Cocker Spaniël.
sw met
de w van white wordt extreem bont genoemd. Honden met dit gen zijn
vrijwel geheel wit met normaal gepigmenteerde neus en ogen. Op de oren en rond
de ogen kunnen gekleurde platen voorkomen, zoals bij de Pyreneese Berghond en de
Bull Terriër.
Witverdeling bij de kruising Schotse Herdershond x Bull
Terriër

Colin, mijn 1e hond
T-locus
De T van dit locus staat voor ticking.
T maakt kleine eenkleurige vlekjes op een witte
ondergrond zichtbaar. Ticking is het meest bekend bij de Dalmatische Hond, maar
komt eveneens voor bij de Pointer, de Spaniëls en de Engelse Setter.
t is het non-ticking-gen, waardoor geen kleine
vlekjes in de witte vachtgedeelten ontstaan, maar wel zwarte of anderskleurige
platen mogelijk zijn, zoals bij de Landseer.
Roan-factor
De roan-factor is verantwoordelijk voor het schimmelpatroon, een melange van
gekleurde en witte haren. Zowel de mate waarin de gekleurde haren in het wit
aanwezig zijn als de neiging van de gekleurde haren om in vlekjes bij elkaar te
staan wordt beïnvloed door modificerende genen.
Genotypen
Zoals in bovenstaand schema van de loci is aangegeven, komen er een aantal
genen niet voor bij de langharige Belgische Herdershonden. Betreffende genen
spelen bij de bespreking van de vachtkleur van ons ras dan ook geen rol, maar
zijn volledigheidshalve vermeld.
Homozygote
Groenendaeler
asas
BB CC DD EmEm
gg KK mm PP SS tt
asas
BB CC DD E E gg KK mm PP SS tt
asas
BB CC DD ebrebr
gg KK
mm PP SS tt
Heterozygote
Groenendaeler, in staat om rosgevlamd of grijs te geven met een partner met
dezelfde formule
ayas
BB
Ccch
DD EmEm
gg Kk mm PP SS tt
ayas
BB
Ccch
DD E E gg Kk
mm PP SS tt
ayas
BB
Ccch
DD ebrebr
gg Kk
mm PP SS tt
| Heterozygote
Groenendaeler, drager van de factor "Irish spotting" en in staat
om honden voort te brengen met witte extremiteiten (wit aan borst en voeten) ayas BB Ccch DD EmEm gg Kk mm PP Ssi tt ayas BB Ccch DD E E gg Kk mm PP Ssi tt ayas BB Ccch DD ebrebr gg Kk mm PP Ssi tt |
Resessieve Groenendaeler,
waarvan de kleur door het A-locus wordt bepaald
asas BB CC DD EmEm
gg kk mm PP SS tt
Dit is dan ook de genetische formule van een Groenendaeler, geboren uit 2
Tervuerense ouders.
Hiervan is de teef Neua of The Two een voorbeeld.
Rosgevlamde (fauve) Tervuerense, in volgorde van uitbreiding van het
masker
ayay
BB
CC DD EmEm
gg kk mm PP SS tt
ayay
BB
CC DD EmE
gg
kk
mm PP SS tt
ayay
BB
CC DD Emebr
gg
kk
mm PP SS tt
ayay
BB
CC DD EE gg
kk
mm PP SS tt
ayay
BB
CC DD Eebr
gg kk mm PP SS tt
Tervuerense, drager van de factor sable (zandkleur)
ayay
BB
Ccch
DD EmEm
gg
kk
mm PP SS tt
Homozygote sable Tervuerense
ayay
BB
cchcch
DD EmEm
gg
kk
mm PP SS tt
Het
at-gen
Zoals bij het A-locus is vermeld is dit gen verantwoordelijk voor het
black-and-tan-patroon. Het is recessief ten opzichte van ay,
maar dominant ten opzichte van
as. Tot de tan-points
behoren de vlekjes boven de ogen, de flanken van de snuit, achter de oren, op de
flanken vlak achter de voorhand, op de borst, aan de voeten, de buik, de
peri-anale streek, de onderkant van de staart en de broek. De omvang van deze
tan-points wordt door modificerende genen bepaald. De kleur van de tan-points
wordt bepaald door de genen op het C-locus. Onder invloed van het gen Em,
dat epistatisch is over at, komen de tan-vlekken op de plaats van het
masker niet tot uiting.
Er zijn twee mogelijkheden om black-and-tan tot uiting te laten komen en wel in
de combinatie
atas
en atat.
Een black-and-tan Belgische Herdershond met genotype
atas
is genetisch gezien een recessief zwarte Groenendaeler met een at-gen,
wat van één van de ouders afkomstig kan zijn. Daar black-and-tan bij Belgische
Herdershonden geen erkende kleur is, wordt dit dan ook bestempeld als "miskleur".

Wanneer het black-and-tan homozygoot, dus als atat
aanwezig is, kan dit alleen van beide ouders gekomen zijn, dus bijvoorbeeld van
Tervuerense Herdershonden met
ayat
als formule
Het genotype atas
en atat
is bij de langharige Belgische Herdershonden met het dominante K-gen altijd geheel zwart
en gaat fenotypisch dan ook als Groenendaeler door het leven.
|
Mogelijke combinaties met het at-gen |
||
| Allelen | Genotype | Fenotype |
| atas kk | Heterozygote black-and-tan | Black-and-tan |
| ayat kk | Heterozygote Tervuerense | Tervuerense |
| atat kk | Homozygoot black-and-tan | Black-and-tan |
Voorbeeld 1
Uit een Groenendaelercombinatie van
atas
Kk
x asas
Kk
kunnen de volgende genotypen ontstaan:
asas
KK
homozygoot zwarte Groenendaeler
asas
Kk
heterozygoot zwarte Groenendaeler
asas
kk
recessief zwarte Groenendaeler
atas KK
Groenendaeler, drager van de factor voor black-and-tan
atas Kk
heterozygoot zwarte Groenendaeler
atas kk
heterozygoot black-and-tan, miskleur
Wanneer de honden uit dit voorbeeld echter ook maar één K-gen bezitten, wordt
het fenotype 100 % Groenendaeler
Voorbeeld 2
Uit een Tervueren-combinatie van ayat
x ayat
kunnen de volgende genotypen ontstaan:
25 % ayay
homozygote Tervuerense
50 % ayat
heterozygote Tervuerense
25 % atat
homozygoot black-and-tan
dus als fenotype 75 % Tervuerense + 25 % black-and-tan
Voorbeeld 3
Uit de (in Nederland niet toegestane) intervariëteitskruising tussen een
Groenendaeler met genotype asas
kk
en een Tervuerense met genotype ayat
kk kunnen de volgende genotypen ontstaan:
50 % ayas kk
heterozygoot Tervuerense
50 % atas kk
heterozygoot
black-and-tan
dus als fenotype 50 % Tervuerense + 50 % black-and-tan