Kaakmyositis

Door Willem Hogenhout

 

Inhoud

Inleiding

Acute vorm

Chronische vorm

Spieren
    Dwarsgestreepte spieren
    Gladde spieren
    De bouw van dwarsgestreepte spieren
    Verschillen tussen kaak- en ledemaatspieren

Bloed
    De samenstelling van het bloed
    Antistoffen
    De normale werking van de antistoffen
    Be´nvloede(nde) bloedbestanddelen

Auto-immuunziekte

Ontstaan van de ziekte

Diagnose
    Onderzoek

Therapie
    Corticostero´den
    Bijwerkingen
    Dosis

Erfelijkheid
    Hypothese 1
    Hypothese 2
    Polygenetische interpretatie

Fokkerijbeleid

Conclusie

Literatuurlijst

 

Inleiding

Het Griekse woord myositis betekent spierontsteking. Kaakmyositis is dan ook kaakspierontsteking. Hoewel de kaakspieren van honden betrokken kunnen zijn bij algemene spierziekten, al dan niet ten gevolge van een primaire zenuwaandoening, is kaakmyositis een regelmatig terugkerende ontstekingsziekte, die voornamelijk de kaakspieren aantast. Kaakspieren worden ook wel kauwspieren genoemd, daar deze spieren bij het kauwen intensief gebruikt worden. De Engelse benaming voor kaakmyositis is masticatory myositis. Kaakmyositis wordt ook wel myositis eosinophilica of eosinofiele myositis genoemd vanwege het vaak aantreffen van grote aantallen eosinofielen in de kaakspierweefsels en het bloed van de honden met deze ziekte. Het blijkt een auto-immuunziekte te zijn die in twee vormen voorkomt.

 

Acute vorm

Gewoonlijk treedt de eerste acute aanval bij de grotere hondenrassen in het eerste levensjaar op. De Kauwspieren zijn pijnlijk gezwollen en de bek wordt gedeeltelijk open gehouden, hoewel het onmogelijk is de bek actief of passief (onder narcose) wijd te openen. De hond is lusteloos en wil niet eten. Het betasten van de betreffende spieren is zeer pijnlijk. Ook de lymfeklieren van de kop zijn gezwollen. De acute aanval kan enkele weken duren en kan telkens na een periode van enkele weken tot een half jaar opnieuw optreden.

 

Chronische vorm

De acute vorm kan overgaan in de chronische vorm, hoewel de chronische vorm kan optreden zonder voorafgaande acute vorm. De chronische vorm kan bij vele hondenrassen en op verschillende leeftijden optreden. Deze toestand, die gewoonlijk niet pijnlijk is, kenmerkt zich door atrofie (verschrompelen) van de betrokken spieren en bindweefseltoename, waardoor veel spierweefsel verloren gaat. De hond kan de bek steeds minder ver openen, wat tijdens het geeuwen is te constateren, en krijgt een ingevallen kop, die op die van een vos lijkt.
In een later stadium kan de ziekte zich ook over andere spiergroepen uitbreiden. Bij atrofie van de slokdarm- en maagspieren treden onder andere afsluitingsklachten en
gastritis (ontsteking van de maagwand) op. In dit stadium heeft de hond veel last van slikmoeilijkheden en braken, waardoor de voedselopname een groot probleem wordt.

Naar boven

Spieren

Kaakmyositis heeft betrekking op de volgende kaakspieren aan weerszijden van de kop:

De tweebuikige spier (musculus digastricus) wordt niet tot de kaakspieren gerekend, maar speelt wel een rol bij de kauwbewegingen. Deze spier loopt in de mondbodem, behoort tot de mondbodemspieren en trekt het tongbeen omhoog en de onderkaak omlaag.
Al deze spieren zijn dwarsgestreept.

Dwarsgestreepte spieren

Deze worden zo genoemd, omdat ze, wanneer ze in de lengte worden doorgesneden, onder een microscoop een dwarse streping loodrecht op de lengterichting vertonen. Dwarsgestreepte spieren zijn aan het skelet vastgehecht en dienen in het algemeen voor de lichaamsbewegingen, zowel de voortbeweging als ook de beweging van verschillende lichaamsdelen ten opzichte van elkaar. Dwarsgestreepte spieren bestaan uit spiervezels met de celkernen aan de buitenkant. Het zijn willekeurige spieren (werken onder de wil van de hond), moeten zeer snel kunnen werken en zijn krachtig, maar snel vermoeid. Ze werken niet continu.
De hartspier is enigszins anders gebouwd, maar wordt ook tot de dwarsgestreepte spieren gerekend.

Gladde spieren

De gladde spieren vertonen onder een microscoop deze dwarsstreping niet. Ze komen voor in de darmwanden, de bloedvaten en de urinewegen en zorgen dus voor de voortstuwing van voedsel, bloed en urine. Ze bestaan uit spiercellen. Gladde spieren zijn onwillekeurige spieren (werken buiten de wil om), werken continu, zijn minder krachtig, maar niet snel vermoeid.

De bouw van dwarsgestreepte spieren

Elk spiervezeltje bestaat uit veel cellen en is omgeven door bindweefsel, waarin ook bloedvaten en zenuwen liggen. De bloedvaten voorzien de spiervezels van voedsel en zuurstof en voeren de afvalstoffen af. De zenuwen zorgen voor de nodige prikkels om in actie te komen. Een aantal spiervezels tezamen vormen een spierbundeltje, dat door bindweefsel wordt omgeven. Meerdere spierbundeltjes vormen een spierbundel met een bindweefsel schede. De spierbundels vormen samen de spier, die ook weer door een bindweefselschede is omgeven. Het dikste gedeelte van een spier noemt men de spierbuik. De uiteinden gaan over in dunnere pezen, die door vergroeiing met het beenvlies van de verschillende beenderen een stevige aanhechting vormen.
Met behulp van een elektronenmicroscoop, die een vele malen grotere vergroting mogelijk maakt dan een gewone microscoop, heeft men meer inzicht kunnen krijgen in de fijnere bouw van de spiervezels en in de betekenis van de lichte en donkere banden. In de spiervezels komen twee soorten draden voor die in de lengterichting in de spiervezels liggen. In de donkere delen zijn die draden dik en bestaan ze uit zeer grote moleculen van het eiwit myosine. In de lichte delen zijn de draden dun en zijn ze opgebouwd uit de kleinere moleculen van het eiwit actine. Die draden lopen niet door over de hele lengte van de spiervezel. De dunne actinedraden zijn in de lichte delen verbonden met een Z-membraan dat dwars op de lengterichting staat. Vanaf het Z-membraan lopen de actinedraden tot tussen de dikke myosinedraden. De myosinedraden liggen tussen twee Z-membranen in. De dwarsstreping ontstaat doordat de dikke en dunne draden niet gelijkmatig over de hele lengte van de spiervezel verdeeld zijn.
Wanneer een spier zich onder invloed van een zenuwprikkel samentrekt, spelen er zich een aantal chemische processen af, waardoor de aantrekkingskracht tussen de actine- en de myosinedraden toeneemt. Hierdoor schuiven de actinedraden tussen de myosinedraden in, tot de uiteinden elkaar van twee kanten af bijna raken. Door het inschuiven van de actinedraden worden de Z-membranen naar elkaar toe getrokken, waardoor de spiervezel korter wordt. Bij het verkorten van de spiervezels worden de actine- en myosinedraden zelf niet korter, maar schuiven ze dus alleen maar tussen elkaar. Bij het samentrekken van de spiervezel verdwijnt de dwarsstreping.

Verschillen tussen kaak- en ledemaatspieren

Door gebruik te maken van een kleuringmethode kan men aantonen dat de weefselstructuur van kaakspieren verschilt van die van ledemaatspieren. Ledemaatspieren van honden bevatten zowel langzaam samentrekkende vezels (type 1) als snel samentrekkende vezels (type 2). Kaakspieren zijn overheersend samengesteld uit vezels die worden aangeduid als type 2M. De type 1 vezels van kaakspieren verschillen van die van ledemaatspieren, hoewel ze slechts 10 tot 20 % van het vezelaantal vormen.
Met behulp van een elektrisch veld kan men aantonen dat de eiwitstructuur van kaakspieren verschilt van die van ledemaatspieren. Verder zijn kaakspieren voorzien van een craniale (schedel) zenuw, terwijl ledemaatspieren voorzien zijn van spinale (wervelkolom) zenuwen. Met deze gegeven verschillen schijnt het aannemelijk, dat afweerreacties selectief tegen unieke eiwitten van kaakspieren kunnen toenemen.

Naar boven

Bloed

Het bloed is niet alleen van belang voor de spieren door het reeds genoemde transport van zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen, maar is ook betrokken bij de ontstekingsreacties van kaakmyositis. Om dat te kunnen verklaren moet men eerst bepalen welke bestanddelen van het bloed de (kaak)spieren be´nvloeden of hierdoor be´nvloed worden.

De samenstelling van het bloed

De onderverdeling is in het schema vereenvoudigd weergegeven. Het bloed van de hond bestaat uit bloedcellen en plasma. De bloedcellen zijn onder te verdelen in erythrocyten (rode bloedlichaampjes), leucocyten (witte bloedlichaampjes) en thrombocyten (bloedplaatjes). Het volumepercentage bloedlichaampjes van het totale bloedvolume noemt men hematocriet en bedraagt van honden normaal 40 tot 57 %.
Erythrocyten of rode bloedlichaampjes ontlenen hun naam aan de roodgekleurde, ijzerhoudende verbinding haemoglobine, waaraan zuurstof zich tijdelijk kan hechten. Erythrocyten hebben een beperkte levensduur van circa 100 dagen, daar ze geen kern bevatten.
Leucocyten zijn kleurloos en staan in dienst van de verdediging van het lichaam. Ze zijn onder te verdelen in monocyten, granulocyten en lymfocyten. De monocyten zijn vrij grote ÚÚnkernige witte bloedlichaampjes, die het vermogen hebben vreemde materie, zoals bacteriŰn en virusdeeltjes, in zich op te nemen en onschadelijk te maken. Granulocyten zijn gekorrelde witte bloedlichaampjes waarvan de kern uit segmenten bestaat. Ze zijn in staat zich door de wand van een dun bloedvaatje te persen en kunnen zich op eigen kracht in weefsel voortbewegen. Bij een ontsteking komen scheikundige stoffen vrij die de granulocyten aantrekken. In de zure omgeving van een ontsteking neemt het bewegingsvermogen van de granulocyten toe, waardoor ze snel op een bedreigde plek terecht kunnen komen om de strijd met indringers aan te binden. Granulocyten zijn weer onder te verdelen in neutrofielen, eosinofielen en basofielen. Het zijn vooral de neutrofielen en de eosinofielen die hele bacteriŰn of delen hiervan in zich opnemen en met behulp van enzymen proberen te verteren. Daar eosinofielen bovendien een rol spelen in de immuniteit, het weerstandsvermogen, komen we hier later nog op terug. De korreltjes van basofielen bevatten heparine, een stof die in staat is de bloedstolling tegen te gaan. Hierdoor wordt verhinderd dat ontstekingsstoffen de bloedstolling op gang brengen, zodat de bloedtoevoer naar het ontstoken gebied niet wordt belemmerd. Lymfocyten spelen vooral een rol bij de immuniteit. In tegenstelling tot de granulocyten richt elke lymfocytsoort zich tegen ÚÚn bepaalde ziektekiem of lichaamsvreemde stof. Het bloed van pups bevat meer witte bloedcellen dan dat van oudere honden.
Thrombocyten zijn geen cellen, maar celdelen zonder kern. Ze ontstaan uit zeer grote cellen in het rode beenmerg en hebben een levensduur van ongeveer een week. Thrombocyten zijn van belang bij het op gang brengen van de bloedstolling.

Plasma is bloedvloeistof met allerlei opgeloste stoffen. Het bevat naast water de reeds eerder genoemde voedings- en afvalstoffen. Ook verzorgt het bloed het transport van hormonen, waarvan een aantal nog ter sprake komt bij de behandeling van de ziekte. Verder bevat plasma nog bloedeiwitten, onder te verdelen in immunoglobulinen, albuminen en fibrinogeen. Immunoglobulinen bestaan uit antistoffen die met bepaalde antigenen (ziektekiemen of lichaamsvreemde eiwitten) kunnen reageren. Er zijn vijf verschillende soorten immunoglobulinen: IgA (immunoglobulinen-A); IgD; IgE; IgG en IgM.
Albuminen bevorderen de vochtverdeling.
Fibrinogeen kan worden omgezet tot fibrine, dat bij de bloedstolling van belang is.
Bloedplasma dat ontdaan is van het fibrinogeen noemt men serum.
Tenslotte komen in plasma nog enzymen voor. We noemen slechts die enzymen, die bij het onderzoek op kaakmyositis van belang zijn:
lactaatdehydrogenase (LDH) en creatinefosfokinase (CPK).

Schema van de bloedsamenstelling

Antistoffen

Antistoffen zijn eiwitachtige stoffen, waarvan elke molecule is opgebouwd uit vier eiwitketens. Hiervan zijn twee lange ketens van dezelfde samenstelling aan de ene kant voor een deel met elkaar verbonden. Aan de andere kant wijken de uiteinden iets uit, zodat een Y-vorm ontstaat. Met de uitwijkende einden van de lange ketens zijn korte ketens verbonden. De poot van iedere antistofmolecule heeft dezelfde samenstelling. De uiteinden zijn echter voor elke antistof verschillend, afhankelijk van het antigeen waartegen de antistof is gericht. Alle antistofmoleculen bestaan dus uit een constant deel en uit twee delen die bepalen met welk antigeen kan worden gereageerd. Het is dus mogelijk dat een antistofmolecule zich gelijktijdig aan twee ziekte kiemen bindt. De moleculen van de verschillende immunoglobulinen zijn samengesteld uit een verschillend aantal antistofmoleculen, zodat ook de werking verschilt. Zoals reeds vermeld zijn er vijf verschillende soorten immunoglobulinen. Welk soort immunoglobuline gevormd wordt tegen een ziekteverwekker hangt onder andere af van de plaats waar de antistoffen geproduceerd worden.

De normale werking van de antistoffen

Nadat binnengedrongen antigenen (ziekteverwekkers of lichaamsvreemde eiwitten) de lymfocyten geprikkeld hebben, ontwikkelt zich een specifieke afweer: er worden specifieke antistoffen gevormd die zich binden met de antigenen en deze onschadelijk maken. Door middel van laboratoriumonderzoek heeft men inzicht gekregen in de wijze waarop in het lichaam antistoffen met antigenen reageren. Wanneer men bijvoorbeeld in een reageerbuisje een oplossing met antistoffen mengt met ziekteverwekkers, is bijvoorbeeld een troebeling waar te nemen. Dergelijke onderzoeken noemt men serologische onderzoeken. Ze zijn ook van belang bij het aantonen van bepaalde ziekten. Mengt men bijvoorbeeld bloed van een patiŰnt met antistoffen tegen een bepaalde ziekte, dan kan men uit het al dan niet optreden van een reactie afleiden wat er aan de hand is. Hiermee is het zelfs mogelijk de bron van de besmetting op te sporen.

Be´nvloede(nde) bloedbestanddelen

Daar kaakmyositis een ontstekingsziekte van kaakspieren is heeft men dus te maken met het afweersysteem van de hond. Hierbij zijn dus de leucocyten van belang. Zijn langdurige ontstekingen het gevolg van bacteriŰn in het bloed, dan neemt het aantal monocyten in het bloed toe. Ook de granulocyten, en met name de eosinofielen, zijn van belang. Eosinofielen kunnen, zoals vermeld, ook bacteriŰn verteren en spelen daarnaast ook een rol in de immuniteit. Door lichaamsvreemde eiwitten, zoals die bij overgevoeligheid en worminfecties voorkomen, kan het aantal eosinofielen in het bloed ook stijgen. Ze regelen namelijk ook de interactie tussen IgE en de specifieke antigenen bij allergische ontstekingsprocessen. Lymfocyten richten zich tegen ÚÚn bepaalde ziektekiem of lichaamsvreemde stof en zijn dus ook van belang.
Van de bloedeiwitten hebben vooral immunoglobulinen-E betrekking op de ziekte. Ze spelen een belangrijke rol bij allergische reacties zoals hooikoorts en netelroos. Bij allergische reacties zijn de reacties van het afweersysteem te sterk, waardoor ze als het ware hun doel voorbijschieten. Dit kan het gevolg zijn van een stoornis van de antistoffen. Deze richten zich dan niet alleen op de schadelijke stof, maar beschadigen tevens bepaalde cellen van het lichaam zelf. Van sommige vormen van allergie is de aanleg erfelijk.
Van de enzymen zijn voornamelijk LDH en CPK van belang. Enzymen zijn stoffen die scheikundige reacties sneller laten verlopen en hebben met name invloed op de stofwisseling in de cellen. Onder normale omstandigheden komen slechts geringe hoeveelheden van deze enzymen in het bloed terecht. Bij beschadigingen van cellen lekken er echter veel meer enzymen naar het bloed. Bij beschadiging van spiercellen vindt men dan ook meer spierspecifieke enzymen in het bloed.
Lactaatdehydrogenase (LDH) is een enzym dat waterstof aan lactaat onttrekt, waardoor atrofie ontstaat. Creatinefosfokinase (CPK) is een enzym waarvan het gehalte in het bloed toeneemt bij iedere vorm van spierafbraak.

Naar boven

Auto-immuunziekte

Bij auto-immuunziekten is sprake van een abnormale afweer. In het getroffen weefsel treden ontstekingsreacties op, waarbij lymfocyten en plasmacellen in overmaat aanwezig kunnen zijn. In het bloed kunnen afweerstoffen aangetoond worden, die gericht zijn tegen bestanddelen van de cellen in het getroffen weefsel.
Bij sommige auto-immuunziekten beperken de ontstekingsreacties zich tot ÚÚn orgaan of ÚÚn soort weefsel. Bij andere auto-immuunziekten beperken de ontstekingsreacties zich weliswaar tot een gering aantal weefsels, maar zijn de antistoffen gericht tegen bestanddelen van veel meer of zelfs alle cellen van het lichaam. Bij weer andere auto-immuunziekten kunnen de verschijnselen zich op allerlei plaatsen in het lichaam uiten en zijn ook de antistoffen niet meer alleen tegen ÚÚn orgaan gericht. Dit is onder andere het geval bij
lupus erythematodes, een bindweefselziekte die gekenmerkt wordt door ontstekingsreacties van onder meer de gewrichten, de lever, de nieren en de huid. Bij deze aandoening kunnen onder andere afweerstoffen worden aangetroffen tegen celkernbestanddelen van iedere cel in het lichaam.
Zo kunnen auto-immuunziekten zich op tal van manieren uiten. Ze hebben echter wel een aantal gemeenschappelijke kenmerken:

 

Ontstaan van de ziekte

Hoe kaakmyositis ontstaat is nog niet helemaal duidelijk. Er zijn verschillende verklaringen voor.
Wanneer er een kleine afwijking ontstaat in de vorming van kaakspierbestanddelen, zoals type 2M vezels, kunnen deze afwijkende bestanddelen niet meer als lichaamseigen herkend worden, waardoor de productie van antistoffen hiertegen op gang komt.
De oorzaak zou ook gevonden kunnen worden bij de lymfocyten zelf, bijvoorbeeld door een te geringe vorming van T-suppressorlymfocyten, antigeenspecifieke T-lymfocyten die de antistoffenproductie remmen. De T staat voor thymus, de klier waarin de T-suppressorlymfocyten zich ontwikkelen. De thymus of zwezerik is een klier die bij pups direct achter het borstbeen ligt, later kleiner wordt en op geslachtsrijpe leeftijd vrijwel geheel verdwenen is. Dit zou wellicht een verklaring kunnen zijn voor het ontstaan van de acute vorm van kaakmyositis in het eerste levensjaar van de hond.
Het ontstaan van de chronische vorm op latere leeftijd, zonder voorafgaande acute vorm, zou verklaard kunnen worden door het verlies van vermogen lichaamseigen van lichaamsvreemd te onderscheiden. Hierbij wordt opgemerkt, dat deze situatie vaker bij teven dan bij reuen voorkomt.

Naar boven

Diagnose

Voor het stellen van een diagnose moeten de kenmerken van verschillende spierontstekingsziekten, spierdystrofiŰn (degeneraties van spierweefsels) en ontstekingen van de kaakgewrichten met elkaar vergeleken worden. Om verwarring met een andere aandoening te voorkomen kan men van de hond het volgende onderzoeken:

Onderzoek

Wat kan men uit de genoemde onderzoekingen concluderen?
Abnormale kaakfunctie, atrofie en/of zwelling van kaakspieren komen bij veel aandoeningen voor en duiden dus niet alleen op kaakmyositis.
Op r÷ntgenfoto's van de kaakgewrichten kan men zien of men te maken heeft met een ontsteking van de kaakgewrichten of niet.
Elektromyografie (EMG) is het met behulp van electroden meten van de actiestroom bij spiersamentrekking. Bij kaakmyositis treedt alleen in kaakspieren spontane elektrische activiteit op, terwijl ledemaatspieren geen elektrische activiteit vertonen. Constateert men algemene spontane activiteit in de meeste spieren van het lichaam, inclusief die van de kaken, dan kan men te maken hebben met
polymyositis. Bij honden met gevorderde kaakmyositis zal men geen elektrische activiteit vinden in gebieden van bindweefseltoename.
Een spierbiopsie is verwijdering en onderzoek van een stukje spierweefsel. Bij kaakmyositis bevatten ze plaatselijk afgestorven weefsels, celinfiltraties en toegenomen bindweefsel.
Van de honden met kaakmyositis wordt veelvuldig eosinofielen in de celinfiltraties gevonden. Vandaar dat kaakmyositis ook wel
myositis eosinophilica wordt genoemd.
Kenmerkend voor kaakmyositis is de aantoonbaarheid van immuuncomplexen in type 2M vezels. Immuuncomplexen bestaan uit macromoleculen die ontstaan door binding van antigeen met antistof en zijn met een speciale kleuringmethode aan te tonen. In biopsiemonsters van kaakspieren van een hond met polymyositis kunnen deze immuuncomplexen niet ontdekt worden.
Bloedonderzoek is naast spierbiopsie een waardevol onderzoek. Door dit bloedonderzoek regelmatig te herhalen kan men inzicht verkrijgen in het verloop van de ziekte, zodat men de behandeling kan aanpassen. Met behulp van een microscoop is het mogelijk de bloedbestanddelen te beoordelen op vorm, grootte, kleur, abnormale celbestanddelen en dergelijke. Een bloeduitstrijkje wordt gemaakt door een druppel bloed op een schoon glaasje te brengen, waarna dit met een tweede glaasje tot een dunne laag uitgestreken wordt. De laag moet zo dun zijn omdat het met een microscoop niet goed mogelijk is bloedcellen te bekijken die in lagen over elkaar liggen. Nadat het bloed op het glaasje gedroogd is wordt het gekleurd. Zo'n kleuring heeft tot doel de verschillende cellen beter zichtbaar te maken. In ongekleurde cellen zijn de kernen bijvoorbeeld nauwelijks te zien. Het is dan ook niet mogelijk een onderscheid te maken tussen de verschillende witte bloedcellen. Daarom wordt er gebruik gemaakt van kleurstoffen, zoals eosine en methyleenblauw, die elk een bijzondere voorkeur hebben voor bepaalde onderdelen van de cel. Eosine, een zure stof met een rode kleur, hecht zicht aan basische bestanddelen van de cel. Eosinofiele granulocyten worden door eosine dan ook rood gekleurd.
Methyleenblauw is een basische stof die voornamelijk de zure bestanddelen van de celkern kleurt.
Verder is een telling van de verschillende soorten leucocyten van belang. Aan zo'n differentiatie kan men bijvoorbeeld zien of men al dan niet te maken heeft met een bepaalde infectie. Wanneer het aantal leucocyten stijgt tot boven de normale waarde is dit vaak het gevolg van een infectie. Een kenmerk van met name door bacteriŰn veroorzaakte infecties is onder andere het verschijnen van staafkernigen, nog niet geheel rijpe granulocyten,waarvan de kern staafvormig in plaats van gelobd is. Virusziekten gaan meestal gepaard met een toename van het aantal lymfocyten. Bij honden met kaakmyositis ziet men vaak een toename van het aantal eosinofielen in het bloed. Dit is echter niet altijd het geval. Een toename van het aantal eosinofielen in het bloed van honden met kaakmyositis is geen kenmerk van deze ziekte.
Daarom wordt van de betreffende spierziekte in dit artikel de benaming
kaakmyositis verkozen boven myositis eosinophilica.
Zoals vermeld kan het aantal eosinofielen ook toenemen bij bijvoorbeeld een worminfectie, zodat men de hond ook moet onderzoeken op wormen. Het is mogelijk het aantal eosinofielen afzonderlijk te tellen door het bloed te mengen met een kleurstof die alleen deze cellen kleurt.
Een duidelijke indicatie van spieraantasting geeft het CPK-gehalte. Vooral tijdens een acute aanval van kaakmyositis is het gehalte aanzienlijk verhoogd. In het bloed van honden met polymyositis is dit gehalte echter nog hoger. Dit verschil geeft dan ook het verschil tussen de hoeveelheid aangetaste spieren bij de twee ziekten aan. Polymyositis beperkt zich immers niet tot alleen de kaakspieren.
Ook het LDH-gehalte kan bij kaakmyositis zeer hoog zijn.
In de tabel van het bloedonderzoek staan de normaalwaarden van de diverse testen vermeld. Van een gezonde hond zullen de gevonden waarden dan ook binnen deze uiterste waarden liggen. Ook de eenheden waar deze waarden in worden uitgedrukt zijn in de tabel opgenomen. Zo betekent E/l eenheden per liter en giga/l 109 per liter. Vindt men bijvoorbeeld bij bloedonderzoek van een hond met kaakmyositis een waarde van 1177 E/l voor lactaatdehydrogenase, dan betekend dit, dat dit gehalte veel te hoog is.
Zo kan men bij een eerste bloedonderzoek voor creatinefosfokinase bijvoorbeeld een te hoge waarde van 968 E/l vinden. Blijkt deze waarde bij bloedonderzoek van dezelfde hond zes weken later gezakt te zijn tot 128 E/l, dan is deze waarde nog steeds te hoog, maar kan men wel concluderen dat de behandeling verbetering heeft opgeleverd.

Tabel van het bloedonderzoek

Test

Normaalwaarden

Eenheid

lactaatdehydrogenase
creatinefosfokinase
hematocriet
leucocyten

 44-135
 19-103
0,40-0,57
 5,9-13,8

E/l
E/l
l/l
giga/l

differentiatie
lymfocyten
monocyten
juvenielen
staafkernigen
segmentkernigen
eosinofielen
basofielen
normoblasten


1,00 - 4,80
0,15 - 1,35
0,00 - 0,00
0,00 - 0,30
  3,00 - 11,50
0,15 - 1,25
0,00 - 1,00
0,00 - 0,00


giga/l
giga/l
giga/l
giga/l
giga/l
giga/l
giga/l
giga/l


Ten slotte kunnen bij kaakmyositis circulerende auto-antistoffen tegen type 2M vezels aangetoond worden. Deze antistoffen kunnen opgezocht worden door het kweken van een deel van het bloed van de patiŰnt met bevroren stukjes hapspier van de hond. Hierbij moet wel worden verteld, dat het bloed wel afgenomen moet worden vˇˇr de nog te bespreken behandeling met corticostero´den, anders kunnen er onjuist-negatieve resultaten worden verkregen.
Aangezien auto-antistoffen tegen type 2M vezels bij zowel de acute als de chronische gevallen van kaakmyositis kunnen worden aangetoond, duidt dit op verschillende fasen van dezelfde ziekte. Hiermee is tevens aangetoond dat kaakmyositis een auto-immuunziekte is. Bij polymyositis zijn deze auto-antistoffen niet aanwezig, zodat deze ziekte dus niet tot de auto-immuunziekten kan worden gerekend.

Naar boven

Therapie

De behandeling, die zo snel mogelijk moet beginnen, richt zich op het afremmen van de ontstekingsreacties en het afremmen van de vorming van antistoffen. Medicijnen die hiervoor in aanmerking komen zijn corticostero´den, bijnierschorshormonen die te sterke afweerreacties van het lichaam remmen. Wanneer een hond een acute aanval van kaakmyositis heeft kan de bek niet ver geopend worden en heeft het dier veel pijn, zodat het dan vrijwel onmogelijk is deze medicijnen oraal toe te dienen. Het is dan raadzaam het medicijn, eventueel in combinatie met antibiotica, in vloeibare vorm te (laten) injecteren. Ook zal het voedsel dan in de vorm van een brij verstrekt moeten worden, zodat de hond het kan oplikken.
Met een dagelijkse dosis corticostero´den kan de ontstekingreactie kunstmatig worden onderdrukt, zodat de pijnlijke zwelling van de spieren snel verdwijnt en de bek weer verder kan worden geopend. Wanneer de hond goed reageert op de behandeling, dus wanneer de bek verder kan worden geopend en de CPK hoeveelheden in het bloed afnemen, kan het dagelijkse gebruik worden verminderd. Daarna kan het gebruik geleidelijk worden verminderd tot de laagst effectieve dosering om de dag. Men moet er echter rekening mee houden dat men terugslagen kan verwachten. Daar corticostero´den de ontstekingsreacties alleen afremmen en dus niet volledig kunnen stoppen zal de bindweefseltoename langzaam doorgaan, wat de mate van het openen van de bek nadelig be´nvloedt.
Aanvullende behandeling die de beweeglijkheid van de kaak tijdens de niet pijnlijke chronische fase ten goede komt is verder te vinden in het actief gebruik van de betreffende spieren, zoals kauwen op kauwbotjes, apporteren, trekspelletjes en het in de bek laten nemen van grote voorwerpen.
Ook fysiotherapie, met name het dagelijks stevig masseren van de hap- en kauwspieren, kan bevorderen dat doorbloeding van de spieren en de mate van het kunnen openen van de bek acceptabel blijven. Deze behandeling ervaren de meeste honden als prettig en is onder begeleiding van een dierfysiotherapeut(e) door de eigena(a)r(esse) zelf aan te leren.

Corticostero´den

Deze bijnierschorshormonen worden onderverdeeld in mineralocortico´den, glucocortico´den en geslachtshormonen. De mineralocortico´den hebben voornamelijk invloed op de minerale evenwichten in het lichaam. De glucocortico´den hebben voornamelijk invloed op de koolhydraatstofwisseling, maar ook op de eiwitstofwisseling, de vetverdeling, de remming van ontstekingsreacties en de remming van de antistoffenproductie. Het onderscheid in mineralocortico´de effecten is echter niet volkomen scherp, daar ze elkaar voor een deel overlappen. Bespreking van de geslachtshormonen valt buiten het bestek van dit artikel en wordt daarom achterwege gelaten.
Daar honden met kaakmyositis slechts gebaat zijn bij het afremmen van ontstekingsreacties en de vorming van antistoffen zoeken we dus een glucocorticostero´de uit, waarvan een zo klein mogelijke hoeveelheid nodig is om dat doel te bereiken met zo weinig mogelijke bijwerkingen.
Het belangrijkste natuurlijke cortico´d is hydrocortison, wat ontstaat door omzetten van het bijnierschorshormoon cortison. Door variatie in de structuur is getracht het mineralocortico´de en glucocortico´de effect te scheiden. Zo ontstonden synthetische stoffen als prednison en prednisolon, die minder effect op het minerale evenwicht hebben en daarom tegenwoordig veel worden toegepast. Van stoffen als betamethason en dexamethason is het mineralocortico´de effect vrijwel te verwaarlozen. Betamethason is een isomeer van dexamethason. Beide stoffen zijn kwalitatief ongeveer gelijkwaardig.
Tot nu toe is de ontstekingremmende werking echter niet te scheiden van de andere glucocortico´de werkingen. De ontstekingremmende werking treedt pas op bij een voldoende hoge dosis, waarbij de andere glucocortico´de effecten dan als bijwerkingen optreden.
Prednison kan zijn werking in het algemeen pas ontplooien na omzetting in prednisolon. Wanneer een snelle werking is vereist, verdient prednisolon dus de voorkeur.
De mineralocortico´de bijwerking van betamethason en dexamethason is vrijwel te verwaarlozen en is van prednisolon nog altijd merkbaar. Daarbij komt, dat dexamethason zelfs in een lage dosis een krachtige ontstekingremmende werking heeft. De werking van 0,15 mg dexamethason komt overeen met de werking van 1 mg prednisolon. Hieruit kan men dus concluderen dat voor een zelfde ontstekingremmende werking de dosis dexamethason bijna 7 keer lager kan zijn dan die van prednisolon, met als gevolg ook minder last van de bijwerkingen. Om deze reden wordt dan ook dexamethason voor de behandeling van kaakmyositis aanbevolen.

Bijwerkingen

Mineralocortico´de bijwerkingen bestaan voornamelijk uit:

Hierdoor gaat de hond meer plassen, waarbij veel kalium met de urine verloren gaat. Bij gebruik van betamethason of dexamethason is dit echter vrijwel te verwaarlozen.
Glucocorticostero´de bijwerkingen bestaan onder andere uit:

Het syndroom van Cushing ontstaat wanneer men langdurig veel corticostero´den toedient. De hond is dan sloom, eet, drinkt en plast veel en heeft een verminderde conditie. De huid is droog en vertoont kaalheid. Door vetzucht en spierverslapping ontstaat dan een hangbuik.

Dosis

Therapie met corticostero´den houdt in dat voor een effectieve werking de benodigde dosering groter is dan onder normale omstandigheden door de bijnierschors aan hormonen wordt gevormd. Dit betekent dat men uiteindelijk ook met bijwerkingen te maken krijgt. Om deze bijwerkingen tot een minimum te beperken zal de dosering dus zo laag mogelijk moeten zijn.
Een acute aanval wil men zo snel mogelijk onderdrukken. Besluit men de therapie met dexamethason te doen, dan kan men (na eventueel een injectie voor de eerste paar dagen) beginnen met een dosering van 1 tot 1,5 mg/10 kg lichaamsgewicht per dag.
Een tabletje bevat 0,5 mg dexamethason. Voor een hond van 20 kg zijn dan 4 tot 6 tabletjes per dag nodig. Reageert de hond hier goed op, dan kan de dosis na 1 week verlaagd worden naar 0,5 mg per 10 kg lichaamsgewicht per dag gedurende 2 weken. Daarna kan men de dosis geleidelijk verminderen tot de laagst effectieve dosering om de dag. Meestal is 0,25 mg/10 kg om de dag voldoende om de ontstekingsreactie af te remmen zonder al te veel last te hebben van de bijwerkingen. Deze dosering zal de hond na een acute aanval zeer lang, soms zelfs levenslang moeten slikken.
Ook een hond met de chronische vorm van kaakmyositis heeft baat bij een onderhoudsdosis van 0,25 mg/10 kg dexamethason om de dag.
Bij het lezen van dit laatste stukje kunnen een aantal vragen rijzen waarop zal worden getracht een duidelijk antwoord te geven.

  1. Waarom moet de dosis geleidelijk worden verminderd?
    Door toediening van een vrij hoge dosis dexamethason vermindert de afgifte van
    adrenocorticotroophormoon (ACTH) door de hypofyse voorkwab. Door deze terugkoppeling vormt de bijnierschors dan ook nog maar weinig van het belangrijkste hormoon cortisol. Wanneer de behandeling snel wordt verminderd of zelfs plotseling wordt gestaakt, zijn de bijnieren niet snel genoeg in staat zelf weer voldoende hormonen te gaan vormen. Er ontstaan dan ook ernstige verschijnselen van een plotseling verminderde bijnierwerking. Wanneer men de dosering zeer geleidelijk vermindert krijgen de bijnieren voldoende tijd zich te herstellen.

  2. Waarom kan men na een (schijnbaar) genezen acute aanval niet geleidelijk stoppen met de therapie?
    Zoals bij alle auto-immuunziekten kan men bij kaakmyositis regelmatig terugkerende perioden van verslechtering verwachten. Elke acute aanval heeft tot gevolg dat er meer spiervezels verloren gaan, wat uiteraard voorkˇmen moet worden.

  3. Hoe geeft men de hond een tabletje?
    Daar dit vermoedelijk zeer vaak zal moeten gebeuren doet men er goed aan dit te leren, zodat het niet elke keer tot een worsteling hoeft te komen.
    Wanneer men achter de zittende hond gaat staan kan men de hond tussen de benen vastklemmen, zodat het dier niet weg kan. Is men rechtshandig, dan legt men de linkerhand zodanig over de snuit van de hond, dat de duim rechts en de wijsvinger links op de bovenlip, vlak achter de hoektanden kan worden gezet. Wanneer men nu lichte druk op duim en wijsvinger uitoefent, zodat de bovenlip tegen de kiezen wordt gedrukt,zal de hond de bek openen. Geen enkele hond zal zich namelijk graag zelf p de bovenlip willen bijten. Met de rechterhand kan dan een tabletje ver achter op de tong worden gelegd. Na de bek gesloten te hebben houdt men deze met de linkerhand dicht en wrijft zachtjes over het strottenhoofd van de hond, waardoor een slikreactie wordt opgewekt en de hond het tabletje doorslikt.
    Als beloning voor goed gedrag krijgt de hond bijvoorbeeld een broodkapje. Dit heeft de volgende voordelen:
       het tabletje wordt met voedsel ingenomen, zodat eventuele maag/darmklachten worden voorkomen;
    >    de hond associeert de beloning met het goede gedrag, zodat het dier zich steeds makkelijker een pilletje laat geven om maar zo snel mogelijk de beloning in ontvangst te kunnen nemen;
    >    de hond leert op deze manier ook pilletjes in te nemen die niet met voedsel behoeven te worden ingenomen. Dit leert de hond namelijk niet wanneer men een tabletje altijd in een stukje worst verstopt en
    >    door het geven van een broodkapje wordt tevens de kauwbeweging weer even goed beoefend.

  4. Wanneer geeft men het tabletje?
    Onder normale omstandigheden wordt bij honden de grootste hoeveelheid van het bijnierschorshormoon cortisol gemeten vlak voor het ontwaken. Geleidelijk neemt het cortisolgehalte gedurende de dag af en bereikt het rond middernacht een minimum. Om dit dag-nachtritme zo natuurlijk mogelijk in stand te houden is het verstandig de hond het corticostero´dentabletje 's ochtends vroeg te verstrekken.

  5. Waarom een dosis om de dag?
    Bij het afbouwen van een corticostero´denbehandeling of bij het verminderen tot een zo laag mogelijke onderhoudsdosis van een voortgezette therapie geeft men een dubbele dagdosis 's ochtends om de dag om de inactiviteit van de bijnierschors te beperken en wellicht te voorkˇmen.

Naar boven

Erfelijkheid

De aantoonbare aanwezigheid van immuuncomplexen in type 2M vezels en auto-antistoffen tegen type 2M vezels bij kaakmyositis, die niet alleen van spiervezelbeschadiging het gevolg zijn, wijzen op een genetische aanleg voor de ontstekingsreactie.
Na bestudering van de stambomen van Groenendaelers met de acute vorm van kaakmyositis bleek dat ze allen uit lijnteeltcombinaties kwamen met dezelfde gemeenschappelijke voorouders.
In gevallen van chronische kaakmyositis bij zowel Tervuerense Herdershonden als Dalmatische Honden bleek de verwantschap zelfs een moeder-dochterrelatie te zijn.
Men kan hieruit dus concluderen dat kaakmyositis erfelijk is.

Het volgende gedeelte is met voornamelijk voor fokkers van belang. Hiervoor is het nodig enige kennis van de erfelijkheidsleer te bezitten, wat men van fokkers mag verwachten. Eigenaren van honden die ook eens een nestje willen fokken doen er goed aan zich eerst in de grondbeginselen van de erfelijkheid te verdiepen.

Zowel reuen als teven kunnen door kaakmyositis worden getroffen. Meestal worden lijders aan deze ziekte geboren uit ogenschijnlijk gezonde ouders, zodat men ervan kan uitgaan dat de ziekte niet door een enkel dominant gen wordt overgedragen. Indien het verantwoordelijke gen op het X-geslachtschromosoom zou liggen, zou er alleen een zieke teef geboren kunnen worden wanneer de vader zelf ook ziek is en de moeder ˇf draagster ˇf ook ziek is. Het Y-geslachtschromosoom is immers alleen verantwoordelijk voor het mannelijk geslacht en is verder genetisch leeg, zodat het afwijkende gen niet onderdrukt kan worden. Daar de vader van een zieke teef meestal geen ziekteverschijnselen vertoont, kan men er dus van uitgaan dat de ziekte niet geslachtsgebonden is, maar autosomaal vererft.

Hypothese 1:

Kaakmyositis bij honden berust op een autosomaal recessief overervend gen.


De ziekte kan in dit geval slechts tot uiting komen wanneer een zieke hond van beide ouders een verantwoordelijk gen heeft gekregen.
Uit een paring van een reu en een teef, die beide drager van de ziekte zijn zonder zelf de verschijnselen te tonen, kunnen dan pups worden geboren, die 25 % kans hebben om gezond te zijn, 50 % kans hebben drager te zijn en 25 % kans hebben om ziek te worden.
Een paring van een zieke hond met een gezonde hond heeft in dit geval tot gevolg dat alle pups drager van de ziekte zullen zijn.

Hypothese 2:

Kaakmyositis bij honden berust op polygenetische vererving.


In dit geval is er overeenkomst tussen de mate van tot uiting komen van de ziekte en de hoeveelheid verantwoordelijke genen. Dit kan dan een verklaring zijn voor de verschillende vormen en de hevigheid van de immuunreacties die bij kaakmyositis kunnen voorkomen. Wellicht speelt ook de rasbeperking een rol. Zo zijn er gevallen bekend van Dalmatische Honden die reeds op driejarige leeftijd de chronische vorm kregen. Ook bij het Kooikerhondje, de Witte Zwitserse Herdershond en de Belgische Herdershonden kan de chronische vorm op een leeftijd van 3 tot 5 jaar tot uiting komen. Eerste acute aanvallen op tweejarige leeftijd is gemeld bij een Drentsche Patrijshond. De acute aanvallen in het eerste levensjaar komen voor bij onder andere de Duitse, Belgische en Schotse Herdershond. Bepaalde hondenrassen, bijvoorbeeld Dobermanns, Belgische Herdershonden en Samojeden, zijn geneigd hevig te worden aangetast en hebben massieve cellulaire infiltratie in hun spierbiopsiemonsters. Deze cellulaire reactie kan snel leiden tot spiervezelvernietiging en eindfase van de ziekte.
Ook milieufactoren zouden van invloed kunnen zijn op het tot uiting komen van de genetische aanleg. Te denken valt bijvoorbeeld aan het verschijnen van de eerste symptomen na het apporteren uit koud water. De doorslaggevende factor is echter de polygenetische overdracht van de eigenschappen.

Polygenetische interpretatie

In de kwantitatieve genetica worden veel aandoeningen (waaronder heupdysplasie) behandeld als drempeleigenschappen: er moet een ophoping van een minimum aantal aanleggenen zijn voordat een bescheiden stadium van de ziekte wordt bereikt. De werking van de afzonderlijke aanleggenen kan men dan dus optellen. Erft een pup minder dan dit minimum aantal aanleggenen van zijn ouders, dan blijft de hond klinisch gezond.
Veronderstelt men wegens een drempeleffect dat er drie aanleggenen nodig zijn voor het bereiken van de chronische vorm en vier voor de acute vorm, dan kan men van een paring van twee klinisch gezonde honden een polygenetisch model maken. Om het model eenvoudig te houden gaan we er van uit, dat de aanleggenen zich op drie allelen kunnen bevinden. Wellicht zijn er meer, maar het gaat om het principe. Wanneer de aanleggenen met een hoofdletter en de normale genen met een kleine letter worden aangegeven kan men het genotype van de ouders bijvoorbeeld omschrijven als: AaBbcc en aaBbCc.
AaBbcc geeft de volgende 4 gameten:
abc, zonder aanleggenen, dus 1/4 van de gameten met 0 aanleggenen
Abc, met 1 aanleggen,
                                              dus 2/4 van de gameten met 1 aanleggen
aBc, met 1 aanleggen,
ABc, met 2 aanleggenen, dus 1/4 van de gameten met 2 aanleggenen
Evenzo geeft aaBbCc de volgende gameten:
abc,
zonder aanleggenen, dus 1/4 van de gameten met 0 aanleggenen
aBc, met 1 aanleggen,
                                              dus 2/4 van de gameten met 1 aanleggen
abC, met 1 aanleggen,
a
BC, met 2 aanleggenen, dus 1/4 van de gameten met 2 aanleggenen
Het polygenetisch model, waarin in elk hokje boven de schuine streep het aantal aanleggenen en onder de schuine streep de verhouding van het aantal mogelijkheden worden vermeld, komt er dan als volgt uit te zien:

Polygenetisch model

Hieruit blijkt het volgende:
1/16 van de pups heeft 0 aanleggenen, dus 1 gezond
4/16 van de pups heeft 1 aanleggen,
                                                                    dus 10 klinisch gezond, maar drager
6/16 van de pups heeft 2 aanleggenen,
4/16 van de pups heeft 3 aanleggenen, dus 4 chronisch ziek
1/16 van de pups heeft 4 aanleggenen, dus 1 acuut ziek
Tevens blijkt uit het polygenetisch model duidelijk dat lijders aan kaakmyositis uit klinisch gezonde ouders kunnen worden geboren.

Naar boven

Fokkerijbeleid

Wil een rasvereniging de verspreiding van kaakmyositis onder de populatie beperken of zoveel mogelijk voorkˇmen, dan ligt het voor de hand dat lijders aan deze ziekte niet voor de fokkerij worden ingezet. Het is echter tevens raadzaam die honden, waarvan duidelijk bekend is, dat ze nakomelingen hebben, die lijden aan de ziekte, ook uit te sluiten van de fokkerij. In geval van autosomaal recessieve vererving betreft het dan de dragers van het recessieve gen en in het geval van polygenetische vererving de dragers van de aanleggenen. Aangezien het bij de meeste rassen om een zeer klein gedeelte van de populatie gaat, hoeft men niet bang te zijn, dat met door het uitsluiten van een aantal honden het kind met het badwater weggooit.
Ter verkrijging van de benodigde gegevens zou men een enquŕte onder de leden kunnen houden, zodat men een doelgericht fokkerijbeleid kan bepalen. Zonder goed beleid leiden foktechnische ingrepen vaak tot een tijdelijk terugdringen van de problemen, die zich dan in een later stadium weer in verhevigde mate uiten.
Een bekend voorbeeld hiervan is het zoeken naar paringscombinaties waaruit geen afwijkende nakomelingen worden geboren. Hierdoor wordt bereikt dat de volgende generatie uiterlijk weinig problemen vertoont, maar dat een deel van deze honden de erfelijke aanleg voor de aandoening echter bij zich dragen, waardoor in de daarop volgende generatie de problematiek zich weer in zijn volle omvang uit.

 

Conclusie

Als in het algemeen geldt dat voorkˇmen beter is dan genezen, dan geldt voor kaakmyositis dat voorkˇmen een noodzaak is, omdat genezing tot op heden niet mogelijk is.

 

Literatuurlijst

Naar boven

Terug naar Veterinair

Copyright ę 1991-2014 Marajuyo
Datum van laatste update: 01 January 2014.